De onzin van Vandebron.

April 2014 lanceerde 4 initiatiefnemers Vandebron.

Wat is er zo (weinig) bijzonder aan Vandebron?

1. Bij Vandebron kan een consument stroom rechtstreeks van een producent kopen. Is dit bijzonder? Nee. Alle grote energiebedrijven maken zelf energie en men kan die energie rechtstreeks bij hen kopen. Vandebron levert hier dus niets bijzonders.

2. Bij Vandebron kun je duurzame energie direct van de producent kopen. Is dat bijzonder? Nee. Grote energiebedrijven leveren aan bedrijven en consumenten die daar voor kiezen duurzaam geproduceerde stroom. Consumenten en bedrijven kunnen uit een scala aan mogelijkheden kiezen. Zo biedt Nuon aan bedrijven de mogelijkheid van levering van een specifiek windmolenpark. Vandebron is dus niet uniek.

3. Door Vandebron heb je het traditionele energiebedrijf niet meer nodig. Is dit waar? Nee. Als de producent, waar men via de website van Vandebron voor kiest, even niet levert (bijvoorbeeld omdat het niet waait of omdat de zon niet schijnt) dan zorgt Vandebron voor levering van andere bronnen. Deze bronnen zijn de traditionele centrales van traditionele energiebedrijven. Vandebron levert dus gewoon energie van traditionele centrales.

4. De prijsstelling bij Vandebron is eerlijker dan de prijsstelling van traditionele energieleveranciers. Is dat een juiste voorstelling van zaken? Nee. Bij een traditioneel energiebedrijf betaal je een vastrecht een een vergoeding per kWh (of m3). Dit is bij Vandebron in feiie niet anders. Vandebron ontvangt het vastrecht, de energieproducent de vergoeding per kWh. Bij Vandebron dient de € 5 per uur ter dekking van de kosten van het platform, bij de traditionele energieproducent dekt het vastrecht ook de administratieve lasten. Een laten we eerlijk zijn: ook Vandebron wil geld verdienen. Het vastrecht van € 60 per jaar is in ieder geval meer dan alle traditionele leveranciers vragen.

Vandebron doet eigenlijk niets anders dan alle energieleveranciers van Nederland en Europa.

  1. Alles wordt geplaatst op het landelijk elektriciteitsnet. Net als elke energieleverancier zorgt Vandebron ervoor dat voor hun klanten energie op het landelijke elektriciteits- (of gas) netwerk wordt gezet. In het geval van Vandebron zijn dit een groot aantal producenten van kleine hoeveelheden duurzame energie. Bij traditionele energiebedrijven is dit een mix van duurzaam opgewekte energie en energie opgewekt in traditionele gas of kolen centrales.
  2. Wat uit het stopcontact komt blijft een mix van alles wat in Nederland op het net wordt gezet. Ook klanten van Vandebron ontvangen een mix van alle bronnen die elektriciteit maken voor het Nederlandse net. ook bij Vandebron komt er geen zuivere groene elektriciteit uit het stopcontact. Om te kunnen bewijzen dat de elektriciteit inderdaad “groen” is, maakt Vandebron, net als normale energieleveranciers, gebruik van Garanties van Oorsprong.
  3. Bewijs van levering met Garanties van Oorsprong. Om te kunnen bewijzen dat de elektriciteit inderdaad duurzaam is geproduceerd werken we in Nederland (en in de EU) met Garanties van Oorsprong (GvO’s). GvO’s zijn certificaten die door overheidsinstanties worden afgegeven voor energie die duurzaam is geproduceerd. Energiebedrijven melden de duurzame energie die ze kopen van derden (zoals Vandebron) of zelf produceren (zoals Nuon en Eneco) aan bij de betreffende overheidsinstanties. In Nederland is dat CertiQ. Energiebedrijven schrijven bij CertiQ de GvO’s af voor duurzame energie die door hun klanten is gebruikt.

Vandebron speelt handig in op het sentiment van een groep consumenten die graag lokaal duurzame energie willen kopen. De lokale energieproducenten aangesloten bij Vandebron leverde voor het bestaan van Vandebron aan de traditionele energiebedrijven. Deze bedrijven verkochten de stroom als onderdeel van hun groene stroomproducten door aan consumenten en bedrijven.

Wat voegt Vandebron toe?

Wat Vandebron toevoegt is dat consumenten zelf kunnen kiezen vanuit welke duurzame bron ze beleverd worden. Dit bestaat ook al bij normale energiebedrijven maar is daar nog niet het standaard product. Er is blijkbaar een groep consumenten die bereid zijn extra betalen voor de extra administratieve lasten die gepaard gaan met het afschrijven van specifieke GvO’s voor hun eigen verbruik. Het is een kwestie van tijd voordat bestaande energieleveranciers deze dienst op grote schaal aan hun klanten gaan aanbieden. De eerste tekenen zijn er al. Energiebedrijven (tradioneel en nieuw) zoeken naar manieren waarop de consument kan participeren in duurzame projecten.

Publiciteit

Iedereen heeft recht zijn brood te verdienen. Het zou echter wel mooi zijn als duurzaam Nederland wat verder kijkt dan de neus lang is en nadenkt voordat het Aart van Veller, 1 van de initiatiefnemers van Vandebron volledig onbekritiseerd op het podium van het Nationaal Sustainability Congres zet.

De 4 belangrijkste energie thema’s van 2015

De 4 belangrijkste energie thema’s van 2015.

Jaren staan niet op zich, 2014 loopt over in 2015 en 2016 is er voor dat we het weten. Toch is het nuttig om elk nieuw jaar de focus voor de komende 12 maanden te bepalen.

4 thema’s zullen dominant zijn in de energiewereld van 2015. De 4 D’s.

  1. Duurzaam – energiebedrijven ondersteunen bij minder verbruik en zullen met name investeren in duurzame opwek.
  2. Digitalisering – energiebedrijven gaan dankzij digitalisering kosten besparen maar ook betere, persoonlijkere service leveren.
  3. Distributie – energiebedrijven maakt het als leverancier van energie niet uit waar energie wordt opgewekt, een deel van hun investering in duurzame opwek zal van investering in centrale opwek verplaatsen naar investering in lokale opwek bij of in de buurt van de klant.
  4. Demand response – energiebedrijven zullen klanten gaan ondersteunen in het kiezen van het moment dat men energie afneemt. Verbruikers van energie zullen met hun energievraag op zoek gaan naar het beste prijsmoment in de dag.

Alle 4 de thema’s hangen nauw met elkaar samen, duurzaam kan bijvoorbeeld niet zonder distributie. Distributie en demand response sluiten logisch op elkaar aan en tenslotte biedt digitalisering de basis voor alle 3 de andere thema’s.

  1. Duurzaam                                                                                                                              polarbear

De aandacht voor duurzaam is doorzetting van een bestaande trend.

Duurzaam is al heel wat jaren een leidend thema en zal dat ook in 2015 zijn. Zie HBR voor een overzicht van 10 duurzaamheid-succesverhalen in 2014. Voor energiebedrijven is 2015 wat dat betreft niet veel anders. De klimaatconferentie in Parijs zal de aandacht op duurzaamheid alleen maar vergroten.

De splitsing van E.on was in 2014 het meest opvallende bewijs van de verandering in de energiewereld.

Wat wel anders is, is dat “duurzaam” aan energiebedrijven een nieuw business model biedt. E.on was aan het eind van het jaar het meest uitgesproken voorbeeld met haar splitsing in twee delen. Waarbij niet het fossiele deel maar het duurzame deel doorgaat onder de naam E.on.

Maar kolen blijft een belangrijke energiebron.

Dat deze actie geen einde betekent van de productie van elektriciteit met behulp van kolen spreekt voor zich. Natuurlijk zullen we ook in 2015 veel energie blijven opwekken met kolen. We willen immers niet in het donker zitten. Maar ondanks de verwachting van een constante beschikbaarheid van elektriciteit tegen een lage prijs zal de weerstand tegen kolen alleen maar toenemen.

Sprekend voorbeeld was de aandacht voor het negatieve milieueffect van elektrische auto’s.

als de elektriciteit waar ze op rijden opgewekt is met kolen. Een kolen/elektrisch aangedreven auto is 3 keer slechter voor het milieu als een gewone auto met benzine motor bleek uit een onderzoek van de universiteit van Minnesota.

4 aspecten van duurzaam voor energiebedrijven:

  • Duurzame profilering.

Energiebedrijven zullen zich in 2015 nog meer dan voorgaande jaren willen gaan profileren als duurzaam.

  • Ranglijst duurzaamheid.

Energiegebruikers zullen in 2015 moeite hebben om te bepalen welk bedrijf nou echt duurzaam is. De vergelijking van energiebedrijven door de Consumentenbond en Natuur en Milieu werd terecht afgeserveerd als inadequaat. Feit is in ieder geval dat bedrijven als Nuon en E.on vele malen meer bijdragen aan het vergroenen van de energiemix door het investeren in windparken dan alle kleine energiebedrijfjes, hoog genoteerd uit de energiewijzer.

  • Certificaten van duurzaamheid.

Energiegebruikers zullen in 2015 nog meer gaan twijfelen over de nut en noodzaak van Garanties van Oorsprong (CO2 certificaten). Zolang die certificaten niet veel kosten zullen energieverbruikers intuïtief veronderstellen dat de waarde van deze certificaten voor het milieu gering zal zijn. De lage prijs, die GvO’s eigenlijk zeer aantrekkelijk zou moeten maken, werkt in het nadeel van dit potentieel zeer nuttige instrument.

  • Duurzaam door minder

Energiebedrijven zullen in 2015 (meer nog dan voorgaande jaren) inzetten vermindering energieverbruik van hun klanten. Klanten zullen hun energieleverancier gaan kiezen op de mate waarin deze hen ondersteunt bij energiebesparing.

Verwacht daarbij dat bedrijven het geld dat ze opzij zetten voor GvO’s zullen gaan inzetten voor energiebesparingsacties.

Verwacht in 2015 ook een toename van huur/leen constructies waarbij energiebedrijven energiebesparende apparatuur bij klanten installeren tegen betaling van een huursom.

      2.     Digitalisering                                                                                                             matrix

In 2015 zullen we een nieuwe stap zetten in de digitalisering van alles om ons, in ons en aan ons. Deze digitalisering heeft 4 consequenties die relevant zijn voor de energiewereld:

Kostenbesparing – digitalisering maakt automatisering mogelijk. Deze kostenbesparing is harde noodzaak in de concurrentiestrijd tussen de energiebedrijven.

Transparantie – digitalisering betekent dat steeds meer informatie direct, real time en online beschikbaar is. De consequentie van nog meer transparantie is een verdere verheviging van de concurrentie. Het online vergelijken voor consumenten maar ook de zakelijke markt zal in 2015 verder professionaliseren.

Service verbetering – digitalisering betekent ook dat energiebedrijven steeds meer van hun klanten weten en dus ook steeds beter in staat zullen zijn hun vragen en wensen te beantwoorden. Denk in 2015 bijvoorbeeld aan de introductie door energieleveranciers van inkoopondersteuning die gebruik maakt van predictive intelligence.

Verbinding – door digitalisering kan alles aan elkaar verbonden worden. The Internet of Things. Er zijn heel veel voorbeelden van the “IoT. Het voorbeeld van GE spreekt tot de verbeelding (zie de HBR van november 2014). Zie ook het McKinsey interview met Joep van Beurden van CSR.

       3.      Distributie                                                                                networks

Distributie is een belangrijk relatief nieuw begrip. In het verleden spraken we nog wel eens over “decentrale energie opwek”. Maar dat is echt wat anders.

Het verschil tussen Distributie en Decentrale Opwek

Decentraal betekent dat kleinere decentraal gelegen installaties zorgen voor de energie voor aangesloten bedrijven en consumenten. Iedereen is gekoppeld aan een decentraal gelegen installatie maar niet aan elkaar.

Distributie betekent dat sprake is van web of net waarbij alle consumenten en producenten allemaal aan elkaar gekoppeld zijn. Soms is de producenten een consument (zie hierna ook demand response) en soms zijn consumenten juist producent (de zgn. prosument). Er is dus een compleet netwerk waarbij alles is gekoppeld en met elkaar communiceert.

Voorbeelden van distributie

Doordat alles digitaal is of wordt is het mogelijk iedereen te koppelen en gebruik te maken van inefficiënties die ontstaan door gebrekkige kennis.

Er zijn nu al veel voorbeelden van waar het creëren van netwerken toe kan leiden.

  1. Peerby – door het digitaal koppelen van buren wordt het mogelijk niet gebruikt gereedschap of gourmetsetjes met elkaar te delen.
  2. 3DHubs dat de eigenaren van 3D printers koppelt aan particulieren die iets geprint willen hebben.
  3. Uber is al vele malen genoemd maar hoe lang nog voordat we via een online platform de ruimte in onze kofferbak beschikbaar stellen aan personen die iets vervoerd willen hebben.
  4. Smart grids – een smart grid is niet anders dan een energie netwerk van consumenten en producenten. Het verklaard waarom data voor energiebedrijven belangrijker zal worden dat vermogen – het gaat in de toekomst om Megabites, niet meer om Megawatts.

Distributie: de 3 belangrijkste consequenties voor energiebedrijven:

  • Experimenteren

In 2015 zullen energiebedrijven vooral veel experimenteren met netwerken van klanten, lokale producenten, energieopslagsystemen en centrale energieopwek.

  • Dirigeren

Het doel van energiebedrijven zal zijn een dirigerende rol te krijgen in het energienetwerk. Hun

kennis en kunde in het managen van energiestromen en hun gedetailleerde inzicht in de energiestromen en energievoorkeuren van hun klanten zullen hen een belangrijk voordeel geven.

  • Heroriënteren

Distributie hoeft dus niet te leiden tot een paradigm shift, een ontmanteling van de grote energiebedrijven, eerder tot een herpositionering. Energiebedrijven zullen hun focus verleggen van centrale productie naar het dirigeren van vraag en aanbod binnen een netwerk van consumenten en producenten.

     4.     Demand Response                                                           Demand_response

Wat is demand response en waarom is demand response zo belangrijk?

Wat is demand response?

Demand response is niets anders dan dat prijzen worden aangepast afhankelijk van de vraag. Het is standaard praktijk bij het kopen van vliegtickets en hotelkamers. Hier schiet demand response eigenlijk al te ver door op momenten dat de prijs van een ticket of kamer omhoog gaat als je na een tijdje terugkomt op de site.

In de energiewereld betekent demand response dat klanten hun vraag naar energie uitstellen op momenten dat de prijs voor energie duur is en verhogen als de prijs laag is.

Waarom is demand response zo belangrijk?

Klanten en demand response.

Voor klanten biedt demand response een uitgelezen mogelijkheid om hun kosten te verlagen. Net als bij de hierboven beschreven voorbeelden van “distributie” zijn er veel bedrijven die hun geen behoefte hebben aan het constante bezit van een kapitaalgoed of service. Op de momenten dat ze een kapitaalgoed, bijvoorbeeld een stoomturbine, niet nodig hebben kunnen ze het gebruik van die turbine overdragen aan het energiebedrijf. Andersom kunnen ze bijvoorbeeld een koelruimte extra koelen op momenten dat het hard waait en er veel energie beschikbaar is.

Energiebedrijven en demand response.

Voor energiebedrijven is demand response een belangrijk instrument noodzakelijk voor het efficiënt bedienen van hun netwerk. Op momenten dat er veel energie beschikbaar is willen energiebedrijven die energie kunnen afzetten en opslaan. Op momenten dat er veel energievraag is willen energiebedrijven aan doe vraag kunnen voldoen door opslagen te laten leeglopen en door bepaalde klanten niet of minder te leveren. De energiebedrijven kunnen hierdoor hun investeringen in opwekcapaciteit beperken.

In de huidige situatie zijn de energiebedrijven in staat om te voorzien in een zeer hoge piekvraag. Vergelijk het met de aanleg van een 50-baans snelweg. De kans dat hierop een file ontstaat is nagenoeg nihil, maar de investering is navenant hoog. Het sturen van het verkeer d.m.v. een spitsheffing is een vorm van demand response. Minder verkeer in de spits betekent dat er minderinvesteringen nodig zijn in het wegennet

Verwacht in 2015 de eerste concrete oefeningen door grote energiebedrijven met demand response. Ervaringen op grote schaal in Duitsland en Frankrijk zullen dan aangevuld worden met ervaringen uit de eigen markt.

De zin en onzin van CO2 emissierechten.

polarbearDeze analyse is gepubliceerd in Management Scope 09 2014.

Inleiding

Verlaging van de CO2-uitstoot en een verschuiving naar opwek en verbruik van hernieuwbare energie begint bij een realistischer CO2-prijskaartje.
Eind september spraken politici van 73 landen tijdens de klimaattop in New York met elkaar af een prijskaartje te gaan invoeren voor CO2, als ‘cruciale hoeksteen voor klimaatbeleid’. Dat kan een belangrijke stap voorwaarts blijken in het streven naar verduurzaming en terugdringing van de CO2-uitstoot (het ‘broeikaseffect’). Het plan van de politici is om volgend jaar, tijdens de klimaattop in Parijs, bindende afspraken te maken over CO2-reductie. Tegelijk kondigde de EU aan om, in reactie op de gestage klimaatveranderingen, in 2030 minstens veertig procent minder CO2 uit te willen stoten dan in 1990. Dat streven is niet nieuw. Een van de concrete maatregelen om dit te bereiken, was de oprichting van het European Union Emissions Trading Scheme (EU ETS) in 2005, met als doel te kunnen handelen in CO2-rechten. Bedrijven, fabrieken en energiecentrales moeten sindsdien beschikken over een bepaalde hoeveelheid emissierechten om in hun productiepro-cessen broeikasgassen uit te mogen stoten.

THEORIE VERSUS PRAKTIJK

In theorie is dit een prima model, maar de praktijk wijst uit dat de emissierechten nog steeds veel te laag geprijsd zijn. Na een langdurige startfase, waarin CO2-rechten gratis werden weggegeven, veilt de Europese Unie sinds vorig jaar ongeveer de helft van de beschikbare rechten aan de hoogste bieder. Ondertussen wordt de maximaal toegestane uitstoot van CO2 ieder jaar naar beneden bijgesteld: zo worden de rechten schaarser en dus duurder, is het idee. En dat zou bedrijven financieel moeten prikkelen om steeds minder CO2 uit te stoten, zuiniger te produceren en steeds meer geld te investeren in duurzame productietechnieken.

TRIAS ENERGETICA

Het cruciale probleem is echter dat de prijs van de emissierechten, ook sinds de lancering van de veiling in Leipzig, niet oploopt. Dat komt niet alleen omdat deze rechten in de beginjaren ruimhartig werden uitgedeeld, maar ook omdat de productieniveaus sinds de crisis aanmerkelijk zijn gedaald (met als neveneffect dat de Europese richtlijn om in 2020twintig procent minder CO2 uit te stoten, nu al is gehaald). Er hangt dan ook (nog steeds) een overschot van emissierechten boven de markt, met als gevolg dat het prijskaartje van CO2-uitstoot veel te laag blijft. Deze lage CO2-prijs is geen stimulans voor de productie van hernieuwbare energie, denk aan de bouw van windmolens, parken met zonnepanelen en grote biogascentrales. Ondernemers voelen niet de urgentie om besparingsmaatregelen door te voeren, omdat de terugverdientijd voor investeringen vaak te kort wordt ingeschat. Ze staan daarnaast teweinig stil bij het mogelijke besparingspotentieel. Dat komt ook omdat ze vaak onvoldoende inzicht hebben in de mate van mogelijke bezuinigingen in de afzonderlijke stappen in hun productieprocessen. De Wet milieubeheer dwingt bedrijven weliswaar een plan te maken hoe ze hun energieverbruik willen terugdringen, maar de controle op uitvoering is tot op heden tekort geschoten. En dus zien we in de Nederlandse industrie het energieverbruik momenteel zelfs stijgen, waar het verbruik van huishoudens daalt, met dank aan isolatie van woningen en de aanschaf van zuinigere hr-ketels, computers, koelkasten, et cetera.

ER WRINGT IETS

Ondertussen stimuleert de overheid via een subsidiesysteem de productie van duurzame energie. Via deze Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie, beter bekend als de SDE+, is momenteel een budget van 3,5 miljard euro per jaar beschikbaar om projecten te ondersteunen die zich richten op de productie van hernieuwbare duurzame elektriciteit, duurzame warmte en groen gas. Hier wringt iets. Enerzijds investeren we hard in meer duurzame opwek, maar anderzijds laten we kansen liggen om energie te besparen. Het is verstandig te investeren in duurzame opwek, maar het kan natuurlijk niet zo zijn dat we die duur opgewekte energie vervolgens ‘weggooien’. Wat heeft deze onwenselijke situatie veroorzaakt? De oorzaak ligt in het falen van de markt. Als de markt een prijs voor CO2 zou rekenen die meer dan nu aansluit bij de werkelijke kosten van vervuiling, dan zou de uitstoot van CO2 ondernemingen meer geld kosten. En zullen ze vervolgens de meest efficiënte manier zoeken om de CO2-uitstoot in te dammen. Waarschijnlijk is hun eerste stap het verminderen van het energieverbruik en daarna (als investeringen in energiebesparing een langere terugverdientijd hebben) het afnemen van duurzaam opgewekte energie. Het stijgen van de CO2-prijs en daarmee de gemiddelde marktprijs van elektriciteit, is een stimulans voor het bouwen van duurzame opwek zonder dat het leidt tot een verhoging van de vraag naar subsidie. We komen daarmee dichter bij een situatie waarin de vervuiler betaalt.

VAN LOKAAL NAAR MONDIAAL

De afgelopen jaren zijn er belangrijke stappen gezet in het terugdringen van de uitstoot van CO2 per product, maar dat effect wordt meer dan tenietgedaan door het feit dat we mondiaal veel meer produceren. China produceert nu al meer CO2 dan de VS. Daarom is het tijd voor nieuwe initiatieven, voor maatregelen op Europees en mondiaal niveau. CO2 is immers geen nationaal probleem, dus waarom werken met nationale initiatieven? Nu treffen landen met name op lokaal niveau maatregelen, primair vanuit hun eigen belangen of lokale politieke overwegingen. Zo willen landen als Polen en Tsjechië zich niet committeren aan een harde grens aan de maximale CO2-uitstoot, omdat de kolenindustrie hen nou eenmaal veel werkgelegenheid verschaft en omdat ze relatief een groot aandeel energie-intensieve industrie hebben. De vraag is echter hoe je CO2 moet beprijzen. Het invoeren van een CO2-belasting in Nederland of in de EU heeft zonder enige twijfel effect op de concurrentiepositie van de getroffen bedrijven en zal op termijn leiden tot het verplaatsen van uitstoot naar landen die de belasting niet heffen. Het dient dus een internationale oplossing te zijn. De eerste tekenen uit New York zijn positief. Mogelijk dat er in Parijs een deal gedaan kan worden langs de lijnen zoals voorgesteld door twee economen uit India, Aaditya Mattoo en Arvind Subra-manian. Deze economen bepleitten onlangs in hun boek Greenprint een CO2-importheffing, waarvan de hoogte wordt gebaseerd op de CO2-inhoud van de lokale productie. Dat zou voor de EU als resultaat hebben dat de import van

Deze economen bepleitten onlangs in hun boek Greenprint een CO2-importheffing, waarvan de hoogte wordt gebaseerd op de CO2-inhoud van de lokale productie. Dat zou voor de EU als resultaat hebben dat de import van energie- intensieve producten zou dalen met bijna acht procent en de export vanuit de EU met 4,7 procent zal stijgen. Een positief effect op de werkgelegenheid en dus aantrekkelijk voor de EU. Waarom zouden landen als China en India daar mee instemmen? Omdat zij, aldus beide economen, enorm belang hebben bij het stoppen van de klimaatverandering, alleen al door de negatieve effecten daarvan op de voedselvoorziening. We kunnen ons in Nederland veroorloven een miljard euro per jaar opzij te zetten voor het verhogen van de dijken. In Bangladesh is daar mogelijk nog meer behoefte aan, maar ontbreekt het geld.

DAADKRACHT

Aan goede ideeën en initiatieven geen gebrek: nu komt het aan op daadkracht van politieke beleidsmakers, omdat de negatieve veranderingen in ons klimaat voorlopig zeker door zullen gaan. Verlaging van de CO2-uitstoot en een verschuiving naar de opwek en het verbruik van hernieuwbare energie vormen daarbij het leitmotiv.

Deze analyse is gepubliceerd in Management Scope 09 2014.

Eneco, de NS en de PR van duurzaamheid

De NS heeft een contract gesloten met Eneco voor de levering van elektriciteit. Deze elektriciteit zal in 2015 voor de helft, en in 2018 geheel, worden opgewekt met windmolens. De helft van de windmolens zal in Nederland staan, de andere helft in Noord West Europa.

Dit contract wordt door de NS en Eneco gepresenteerd als de nieuwe maatstaf in duurzaamheid. Zo organiseerde MVO Nederland afgelopen week een master class “Duurzaam Inkopen” met de deal tussen NS en Eneco als voorbeeld voor toekomstige tenders voor het inkopen van duurzaam opgewekte energie.

Het presenteren van het NS- Eneco contract als een doorbraak en voorbeeld in duurzaam inkopen is een PR-stunt en het is teleurstellend dat het heeft meegespeeld in het toekennen van de titel MVO Manager van het jaar aan Carola Wijdooge van de NS. Deze deal had daar geen rol in mogen spelen.

Eneco zal door de deal met de NS geen windmolen extra bouwen dan het zou hebben gedaan als de NS geen klant was geworden van Eneco. Er is geen sprake van additionaliteit ook al wordt dat wel geclaimd. De jury voor de MVO manager van het jaar schreef: “In 2014 rondde zij (de NS/Carola Wijdooge) de grootste aanbesteding van groene stroom in de Nederlandse geschiedenis af. Met als belangrijkste eis dat het nieuwe groene stroom betreft. Daardoor zal het aantal windparken in Nederland verdubbelen en geeft ze een belangrijke invulling aan het Energie akkoord.¨

Windmolens kunnen niet worden gebouwd op basis van de klantvraag. Klanten in Nederland betalen relatief veel voor wind geproduceerd in Nederland maar een certificaat dat het bewijs vormt van productie van energie door een windmolen in Nederland kost slechts € 1,50 per MWh, ongeveer 3% van de prijs die voor elektriciteit wordt betaald op de markt. Die 3% is onvoldoende om het verschil goed te maken tussen de kosten voor het maken van elektriciteit met windmolens of traditionele centrales. Daar is veel meer geld voor nodig. Om die reden hebben we in Nederland een subsidieregeling, de SDE+ regeling. Die subsidie geeft bouwers van windmolens gedurende 15 jaar de garantie dat ze tenminste €74 oplopend tot €86 ontvangen per MWh. Dit is een subsidie van meer dan 50%. En dus is de stelling gerechtvaardigd dat windmolens pas worden gebouwd als de subsidie dit mogelijk maakt.

De consequentie is ook dat als de overheid een vergunning voor het bouwen van een windmolen park intrekt zoals recent in de Noordzee gebeurde of als een overheid subsidie intrekt of verlaagt (zoal de Belgische overheid deed in 2012) er geen windmolens gebouwd worden.

Wat Eneco heeft gedaan is zich committeren aan het bouwen van windmolen parken. Eneco heeft daarmee een risico genomen op de betrouwbaarheid van de Nederlandse overheid. Een risico dat zeer klein is maar wel degelijk reëel. Nood breekt wet, ook bij Nederlandse overheid (en andere West Europese overheden). Mocht Eneco door gewijzigde regelgeving geen of minder windmolen parken bouwen dan zal de NS niet instaat zijn Eneco te dwingen de parken toch te bouwen om te voldoen aan haar contractuele verplichtingen, het zou het einde van Eneco betekenen.

Als Eneco alleen kan bouwen als de subsidie regeling goed blijft en de NS de contractuele plicht tot het bouwen van windmolenparken niet kan afdwingen kan ook niet geclaimd worden dat het contract tussen de NS en Eneco leidt tot de bouw van nieuwe windmolens. De communicatie over het contract en haar beoogde effect is dan ook niet anders dan het zoeken van goede PR. Daar zijn Eneco en de NS goed in geslaagd. De marketing medewerkers van beide bedrijven hebben het uiterste uit de deal gehaald. Nu maar hopen dat de werkelijkheid het mooie imago niet achterhaalt.

Post

Felix Gruijters

Nuon Sales B2B Nederland

Manager Intermediaries and Sales Development

+31652091041

Click voor meer over duurzaamheid en Nuon

Click voor het laatste marktrapport

Follow me

Link up with me

Read my blogs

Tekst presentatie Intermediairs plus tekst.pdf

Hulde aan het Energieakkoord

 

Hulde aan het Energieakkoord en wat het betekent voor de toekomst

 

Waarom is het Energieakkoord zo goed en wat kunnen we verwachten op basis van de ingezette ontwikkeling?

 

Het Energieakkoord doet 2 dingen goed:

  1. Het zet vol in op energiebesparing en

  2. Het blijft vertrouwen in het CO2 handelssysteem van de Europese Unie (het EU ETS).

 

Wat de toekomst betreft, ontvouwen zich, als je naar het Energieakkoord kijkt, 2 toekomstscenario’s.

  1. Een scenario waarin de productie en distributie van energie weer terug gaat naar de overheid en

  2. Een scenario waarin beide zaken worden overgelaten aan de markt.

 

Alle 4 de punten zijn van groot belang voor het Nederlands bedrijfsleven en bieden kansen de concurrentiekracht te bevorderen.

Energiebesparing.

 

We hebben de afgelopen 10 jaar in Nederland veel geld geïnvesteerd in de opwek van duurzame energie terwijl we die energie in feite niet nodig hadden. Als we de afgelopen 10 jaar de energiebesparingsmogelijkheden hadden benut dan zouden we onze CO2 uitstoot verder hebben verminderd dan nu met de opwek van duurzame energie.

 

Het is goed dat we nu inzien dat het investeren in energie die je eigenlijk niet nodig hebt geen goede besteding van belastinggeld is en dat we dus in de eerste plaats vol moeten inzetten op besparen. In het Energieakkoord wordt dit volmondig erkend. En terecht want we hebben in ons land nog verschillende niet-benutte mogelijkheden.

 

  1. Onderzoek door Ecorys, in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, over het effect van de Meer Jaren Afspraken (MJA) heeft laten zien dat de MJA deelnemers slechts de meest voor de hand liggende en vrij eenvoudig uit te voeren energiebesparingen hebben doorgevoerd,

    • 70% van de investeringen zou ook gedaan zijn zonder MJA3 en

    • bijna de helft van de investeringen werden alleen gedaan als de terugverdientijd minder dan 5 jaar was.

 

De MJA afspraken hebben dus niet of nauwelijks bijgedragen aan extra besparingen; sterker nog, vaak zijn besparing waar bedrijven op basis van de wet eigenlijk toe verplicht zijn (investeringen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder zijn verplicht) niet uitgevoerd.

 

  1. De wet Milieubeheer verplicht bedrijven om een plan van aanpak op te stellen voor besparingen op het gebied van milieu. Die instrumenten worden vaak keurig in kaart gebracht, maar geen van die instrumenten wordt effectief en efficiënt uitgevoerd. Daar is geen enkele controle en handhaving op. Was die controle en handhaving er wel geweest dan had ons land meer energie bespaard dan dat we tot nu toe duurzaam hebben opgewekt.

 

Uit onderzoek van CE Delft voor ministerie van Infrastructuur en Milieu uit juni 2013 blijkt dat bedrijven aangeven da dat een consequente handhaving van de mogelijkheden van de wet Milieubeheer een besparing zou hebben opgeleverd van 4,7 mln ton CO2 uitstoot per jaar. Dit is gelijk aan de uitstoot samenhangend met het elektriciteitsverbruik van 2 mln Nederlandse huishoudens.

 

Het Europees CO2 handelssyteem

 

Het is erg bemoedigend dat de partners bij het Energieakkoord voldoende vertrouwen hebben gehouden in het European Union Emission Trading Scheme (EU ETS). Dit systeem is bedacht om de uitstoot van broeikasgassen van bedrijven, fabrieken en energiecentrales tegen te gaan door organisaties gezamenlijk een gelimiteerde hoeveelheid emissierechten aan te bieden. Wie ze nodig heeft, moet ze kopen. Wie ze over heeft, kan ze verkopen. Als we de uitstoot van CO2 willen beperken dan moeten we CO2 een prijs geven. Met het EU ETS hebben we in Europa een fantastisch systeem opgebouwd om dit te doen.

 

Het model zit goed in elkaar, is grondig doordacht, alleen de uitvoering hapert nog wat. Het probleem is dat overheden de emissierechten in de eerste twee fases van het EU ETS te goedkoop (gratis) hebben weggegeven. Hiermee is het marktmechanisme vleugellam gemaakt met als gevolg dat emissierechten vandaag de dag te weinig kosten. Het is echter realistisch te veronderstellen dat in de huidige derde fase van het EU ETS wel zal leiden tot een hogere prijs bij veiling van CO2 emissierechten door:

  • het geleidelijk vermindering van de gratis ter beschikking gestelde emissie rechten en

  • het gelijktijdig verminderen van de totale omvang van de emissierechten

 

Om te voorkomen dat de kosten van CO2 uitstoot de concurrentiepositie van Europese bedrijven verslechterd zijn er twee mogelijkheden:

  1. het EU ETS wordt uitgebreid met landen als Australië en Zuid Korea en regio’s als Californie en bedrijfstakken als de internationale luchtvaart.

  2. het EU ETS wordt gecomplementeerd met een CO2 importheffing. Wetenschappelijk onderzoek geeft aan dat een CO2 importheffing voordelig zal zijn voor de concurrentiekracht van Europese bedrijven. CO2 zuinige industrieën zoals we die in Europa kennen, hebben relatief gezien lagere CO2-kosten dan bijvoorbeeld Chinese industriebedrijven. Met alle marktvoordelen voor Europa van dien. Een dergelijke belasting stimuleert bovendien de innovatiekracht bij bedrijven om zo zuinig mogelijk te produceren.

 

De toekomst

 

Het Energieakkoord legt dus de basis voor een overheid die energiebesparing afdwingt en die zorgt voor het beprijzen van CO2-uitstoot.

Bedrijven doen er dus goed aan nu al in te zetten op energiebesparing en andere methoden om de toekomstige kosten van het uitstoten van CO2 te beperken.

Het energieakkoord zet ook stevig in op het opwekken in Nederland van duurzame energie.

Bij die keuze zijn een aantal kanttekeningen te maken:

  1. Het verminderen van de CO2 uitstoot is een wereldwijd project. Maatregelen moeten dus worden genomen waar ze wereldbreed gezien het meest effect hebben. Het besteden van belastinggeld aan het opwekken van energie door windmolen op zee is mogelijk een goed idee maar de kosten zijn niet afgezet tegen andere maatregelen met een zelfde effect elders in de EU of elders in de wereld.

  2. Leveringszekerheid en duurzame energie gaan (op het moment) niet samen en dus is de achtervang van centrales die draaien op fossiele brandstoffen nodig. Deze kosten zijn in feite kosten van duurzame energie en moeten dus aan die duurzame energie worden toegerekend.

 

Wat de toekomst betreft lijkt de keuze voor duurzame en decentrale opwek van energie echter gemaakt. Decentrale energieopwekking, waarbij consumenten zelf warmte- of elektrische energie genereren lijkt een dominante trend naar de toekomst toe. De daling van de prijzen van zonnepanelen en het verhogen van hun capaciteit lijken in overeenstemming met de wet van Moore. Een prijs per Watt van minder dan 0,50 cent in de komende paar jaar lijkt reëel. Het feit dat in de afgelopen dertien maanden meer dan 90 duizend huishoudens een subsidieaanvraag hebben ingediend voor de aanschaf van zonnepanelen en de subsidiepot inmiddels leeg is, illustreert deze ontwikkeling alleen maar.

 

Succesvolle grootschalige introductie van decentrale energieopwekking is echter alleen mogelijk als we:

  1. Smart grids aanleggen

  2. Zorgen voor een goede achtervang voor als er geen wind en zon is

 

De wijze waarop we de smart grids aanleggen en exploiteren en hoe we zorgen voor de achtervang van onze decentrale opwek zal bepalen hoe onze toekomstige energiewereld er uit ziet.

 

Smart grids en data

 

Hoe slim een smart grid is, is afhankelijk van de wijze waarin het netwerk in staat is gebruik te maken van de gebruiksdata van bedrijven en consumenten. De energiewereld van de toekomst wordt niet geregeerd door Mega Watts maar door Mega Bites. Rationeel gezien is er alle reden om te veronderstellen dat marktpartijen met elkaar zullen en kunnen concurreren om de gunst van de klant en daarbij op basis van de gebruiksdata van de klant een voor die klant beste aanbieding kunnen doen. Emotioneel gezien zou het best weleens kunnen zijn dat politici de macht bij overheidsgereguleerde netwerkbedrijven willen leggen.

 

Fossiele achtervang

 

Het zelfde zou mogelijk kunnen gelden voor het beheer van de fossiele achtervang. Ook hier is er alle reden te veronderstellen dat marktpartijen in staat zullen zijn met hun traditionele (gasgestookte) energiecentrales te fungeren als een achtervang tegen in de markt vast te stellen prijzen. Politici met een voorkeur voor overheidsinvloed zouden daarentegen kunnen kiezen voor een terugkeer naar de situatie in de jaren 80 van de vorige eeuw toen alle centrales opereerden binnen de SEP (de Samenwerkende Energie Producenten) en dus de kosten van de achtervang worden gesocialiseerd in plaats van dat ze worden bepaald op de markt.

 

Voor energieleveranciers in Nederland heeft de keuze tussen 1 van beide scenario’s vergaande consequenties. Worden het overheidsdiensten of blijven het bedrijven?

Voor de klanten van de energieleveranciers hoeft de keuze niet heel veel consequenties te hebben. Veel economen zullen pleiten voor marktwerking en alle positieve consequenties die dat heeft op de prijs, de innovatie en de concurrentiekracht van Nederland. Politici en kiezers zouden daar weleens anders over kunnen denken.

Image

Vastgoed, CEO’s, consumenten en investeerders

De huidige malaise in het vastgoed is nog niet voorbij. Duurzaam innoveren en renoveren lijkt een effectieve manier om weer waarde aan een kantoor- of winkelpand toe te voegen. Vier experts in discussie over ondermeer de voorlopers en de achterblijvers, de waarde van energielabels en het mogelijke nut van esco’s.  

De deelnemers:

  • Nils Kok, vastgoedeconoom, verbonden aan de Universiteit van Californië in Berkeley
  • Flip Verwaaijen, consultant op gebied van verduurzaming van vastgoed
  • Sander Paul van Tongeren, Sustainability Specialist Global Real Estate bij APG Asset Management 

Het is duidelijk dat de markt en de overheid belangrijk zullen zijn bij het oplossen van de huidige overcapaciteit en de daar mee samenhangende overwaardering van veel vastgoed. Verduurzaming van het pand zal worden afgedwongen door de markt en door regelgeving van de overheid.  

Dit proces zal worden versterkt door de vraag van huurders naar duurzame panden, het feit dat investeerders op zoek zijn naar bedrijven die goed scoren op het gebied van duurzaamheid en consumenten die van bedrijven verwachten dat ze duurzaam opereren.

Dit artikel gaat over de huurders, de investeerders en de consumenten. 

1.         De huurders 

Sander-Paul van Tongeren: ‘Ik onderscheid drie typen huurders:

  1. Overheden, die verduurzaming heel belangrijk vinden en het goede voorbeeld willen geven. Zij laten zich in hun huurgedrag sterk leiden door energielabels.
  2. Groterote corporate bedrijven, die veel waarde toekennen aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en daarmee aan verduurzaamd vastgoed. Ook zij kijken bij de keus van een pand sterk naar labels.
  3.  Huurders die geen interesse hebben in duurzaamheid en alleen maar kijken naar de kosten. Bij deze groep moet je het woord duurzaam niet eens noemen, want hun perceptie is dat dat de huurprijs van een pand direct opdrijft.’ 

Nils de Kok heeft een andere driedeling:  

  1. Bovenin: Sophisticated huurders en beleggers, die alleen in duurzame panden willen zitten; een kleine groep die samen wel veel vierkante meters huurt.
  2. Het middensegment; Partijen die niet gedreven worden door het hogere ideaal van duurzaamheid. Voor hen is kostenbesparing interessant door vermindering van energieverbuik. Er is eigenlijk alleen echt belangstelling in investeringen met een korte   terugverdientijd (minder dan 3 jaar).
  3. Onderin: de grootste categorie, het mkb. Daar gebeurt weinig tot niets aan verduurzaming, een esco gaat niet naar binnen in een pand van duizend vierkante meter. Het enige dat voor deze groep werkt, is subsidiëring door energiebedrijven, zoals in de VS gebeurt.’  

Een keuze voor verduurzaming van een kantoorpand is dus niet alleen plaats gedreven maar ook afhankelijk van het soort bedrijf. Flip Verwaaijen voegt daar nog een derde element aan toe:  

 ‘In grote bedrijven wordt duurzaamheid getrokken door een paar mensen, zoals CEO Paul Polman dat nu doet bij Unilever; maar zodra zo’n voortrekker weggaat, verdwijnt dit onderwerp vaak direct van de agenda.” 

2. De Consument. 

Verduurzaming van vastgoed is dus ook persoonsafhankelijk. Toch hoeft de huidige trend naar verduurzaming geen strovuur te zijn. 

Flip Verwaaijen: “ Sowieso zie je dat bij op consumentengerichte organisaties, zoals Unilever en AH, het bewustzijn rond verduurzaming sterker is dan bij b-to-b bedrijven. Om verduurzaming echt te verankeren in een organisatie, heb je een cultuurverandering nodig. En dat kost zeker een generatie.’

Van Tongeren: ‘Je moet het verankeren in de volledige keten. Als investeerders, beleggers en huurders duurzaamheid een warm hart toedragen, gesteund door strenge wet- en regelgeving, dan krijg je die verduurzaming er niet meer zo makkelijk uit. Dan hangt het niet meer af van een paar personen in een organisatie.’ 

Verduurzaming van vastgoed is  geen kostengedreven of cultuurgedreven zaak. Er zijn bedrijfseconomisch ook goede redenen aan te voeren:  

Nils Kok: ‘Vastgoed is niet meer dan een middel. Een winkelcentrum is een middel om de consument zijn spullen te laten kopen. Het draait in de kantorenmarkt steeds meer rond de huurder, en de medewerkers van die huurder. Worden die gelukkiger van werken in een duurzaam pand? Daarnaast, zijn huurders bereid een iets hogere huur te betalen in de wetenschap dat hun totale kosten lager zijn? In het buitenland is veel beter bekend dat duurzame gebouwen het beter doen, maar in Nederland is daarover nog veel scepsis.’ 

3. De investeerder 

Daarnaast is duidelijk dat bedrijven die duurzamheid hoog in het vaandel hebben staan en er hun producten, diensten en bedrijfsvoering op aanpassen het bedrijfseconomisch goed doen.  

Van Tongeren: ‘Partijen die hoog scoren op duurzaamheid, hebben vaak lagere risicoprofielen. Dat is voor ons als belegger heel interessant, want het gaat bij iedere investeringsbeslissing om risico-rendementsafwegingen. Beleggen in duurzaam vastgoed is voor 80% risicomanagement. Dus als we bijvoorbeeld weten dat wereldwijd de middenklasse in tien jaar tijd verdubbelt, dan is het aannemelijk dat energieprijzen verder blijven stijgen. Dat energie-efficiency steeds belangrijker wordt, en dus ook het beleggen daarin.’

 


Follw me on Twitter


%d bloggers like this: